08/06/2015

Wereldpremière nieuw werk van Sebastian Currier in Bozar

Sebastian Currier Nog voor zijn 25ste was de Russische pianist Daniil Trifonov al laureaat van prestigieuze wedstrijden als het Tsjaikovski-concours in Moskou, het Arthur Rubinstein-concours in Tel Aviv en het Chopin-concours in Warschau. In het voorjaar van 2014 bracht hij ook zijn eigen Pianoconcerto in première. Onder de hoede van de maestro Andrey Boreyko soleert hij in het lyrische Eerste pianoconcerto van Chopin, het populairste van diens twee werken voor piano en orkest. Na de pauze volgt het Concerto voor orkest, waarin Béla Bartók na een somber begin naar een opgewekte finale toewerkt. En tijdens dit concert krijgen we ook voor het eerst Divisions, het opdrachtwerk van de Amerikaanse componist Sebastian Currier (foto) te horen.

Sebastian Currier (1959) studeerde aan The Juilliard School en aan de Manhattan School of Music. In 2007 mocht hij de prestigieuze Grawemeyer Award, de Rome Prize van de American Academy in Rome en de Guggenheim-beurs in ontvangst nemen. Van 1999 tot 2007 gaf hij les aan de Columbia University. Recente discografie: Time Machines, met Anne-Sophie Mutter en het New York Philharmonic (Deutsche Grammophon), Next Atlantis, met het Ying-kwartet (Naxos).

Praktische info :

NOB & Daniil Trifonov : Sebastian Currier, Chopin, Bartok
Vrijdag 12 juni 2015 om 20.00 u
Bozar - Brussel


Meer info : www.bozar.be en www.nob-onb.be

Extra :
Sebastian Currier : www.sebastiancurrier.com, www.boosey.com en youtube
Sebastian Currier wins 2007 Grawemeyer for Chamber Composition, Frank J. Oteri op www.newmusicbox.org, 8/03/2007

22:42 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

23/05/2015

Het Collectief met jonge Duitse sopraan Mirella Hagen in Sint-Niklaas

Mirella Hagen Het Collectief is in principe een vijfkoppig ensemble dat zich de jongste jaren van tijd tot tijd vergroot als het repertoire dat vraagt, zoals ook deze keer. Zij hebben ondertussen meermaals bewezen dat ze moeiteloos elke internationale standaard aankunnen. Hun concerten zijn van een dergelijke intensiteit dat ze het publiek als het ware bij het nekvel grijpen.

Aan het einde van zijn leven vond Leoš  Janáček (1854-1928) zijn inspiratie meer en meer in de kinderwereld. Zo schets hij in zijn 'Concertino'(1925), een miniatuur pianoconcerto waarin folklore en modernisme hand in hand gaan, een reeks naïeve tafereeltjes uit de dierenwereld. En ook in 'Říkadla'(1925) speelt Janáček de nostalgische kaart: deze bundel nonsensicale kinderrijmpjes uit Moravië wordt gezongen door de jonge Duitse sopraan Mirella Hagen (foto), die zichzelf begeleidt op een trommeltje...

Net als Janáček probeerde de Hongaar Béla Bartók (1881-1945) de folklore te verenigen met moderne muziekstijlen. In de 'Contrasten'(1938) is de invloed van de jazz bijvoorbeeld duidelijk voelbaar. Hij schreef dit trio immers voor twee van zijn beste vrienden: zijn landgenoot en sterviolist Joseph Szigeti en de Amerikaanse jazzklarinettist Benny Goodman.

Het 'Hoorntrio' (1982) van Ligeti (1923-2006) gaat nog een stap verder: hier wordt een nieuw, verfrissend avant-garde gecreëerd door op een licht ironische manier een synthese te maken van de barokmuziek, de muziek van Brahms, maar ook de Midden-Europese volksmuziek.

Je zou Ligeti's Trio als een terugkeer naar het verleden kunnen beschouwen, al zegt de componist zelf: "Er is een zeker conservatisme, niet in de zin van het eclectische neoromantische en neo-expressionistische, ook niet in de zin van Stravinsky's neoclassicisme. Maar het omgaan met het verleden is voor mij niet meer gebaseerd op het gebruik van het citaat of de allusie zoals in de opera Le grand Macabre. Dat is voorbij. Het Trio is een synthese". Met synthese wil Ligeti zeggen dat de aanzet tot een compositie vanaf nu steeds gebeurt vanuit de vaststelling, de samenvatting, de catalogus van het reeds bestaande. Daaraan voegt hij zijn eigen zienswijze toe. Dat kan leiden tot het oproepen van een zekere nostalgie, tot het gebruik van klassieke vormschema's, tot het maken van syntheses van alle (hem bekende) middelen binnen een bepaalde expressie (voor Ligeti is dat dan heel specifiek het lamento bijvoorbeeld). Ligeti gaat zover dat hij alle genres muziek uit de meest diverse culturele kringen in zijn synthese wil betrekken: ook de volksmuziek en de niet-europese muziek horen erbij. Hij spreekt van de synthese als keuze in de grote verzameling van niet samenhangende culturele elementen. Hij kiest voor "what fits my musical needs. Ik maak mijn eigen muziek, een nieuwe muziek, maar ik verloochen de traditie niet, ik voel mij eerder als haar erfgenaam. Mijn muziek is persoonlijk, maar stelt geen verandering in de traditie voor. Voor mij tellen enkel het niveau, de originaliteit en de emotionele intensiteit. In de hoop geen eclecticus te zijn, schrijf ik onreine muziek. Ik word geïnspireerd door een groot aantal muzikale en buitenmuzikale bronnen: literatuur, verschillende culturele tradities, de dagelijkse politiek, enz. Dat vindt allemaal indirect ingang in mijn componeren."

Na zijn zware ziekte rond 1980 verlegt Ligeti enkele accenten in zijn esthetiek, wat zeker niet wil zeggen dat hij niet aansluit bij zijn vroegere muziek. Hij knoopt nauwer aan bij de muziek van het verleden, hij stelt geen enkele avant-garde- of vernieuwende eis meer. Zijn muziek is hierdoor expressieve zelfbelijdenis. De biografische elementen worden explicieter gesteld. Hij aanvaardt ziekte en ouder worden, hij zegt de dood niet meer zo sterk te vrezen. Toch beheerst de dood de hoekdelen van het Trio voor viool, hoorn en piano.

Het eerste deel gaat uit van de beginakkoorden van Beethovens pianosonate Les Adieux, de zogenaamde hoornkwinten. Het afscheid is een verwijzing naar de dood. Alleen al in de bezetting zit een tweede verbinding met de romantiek: het grote en enige voorbeeld voor deze kamermuziekbezetting is het Hoorntrio van Johannes Brahms. Maar inhoudelijk grijpt Ligeti niet naar Brahms terug. In het tweede deel Vivacissimo, molto ritmico komen aksak-ritmes voor, wat Bartok het Bulgaarse ritme noemt. Ligeti gaat hoe langer hoe meer werken met etnische inspiratie, wat reeds voorkwam in Hungarian Rock voor klavecimbel. Hij vindt een hernieuwde interesse in de Hongaarse volksmuziek, die hij in de jaren vijftig ontkende. De etnische inspiratie is mondiaal: ook folklore van de Caraïben is in dit deel aanwijsbaar.

Na het derde deel Alla Marcia, is de finale Lamento getiteld, weer een historische verwijzing. De Lamento idee komt in vele recente stukken terug: in de zesde piano-étude Automne à Varsovie, in het tweede deel van het Pianoconcerto. Maar het allereerste lamento ostinaat is te vinden in de Ricercare - Omaggio a Frescobaldi uit de Musica Ricercata. Bepaalde ideeën blijven bij Ligeti zeer lang gisten, eer ze (weer) aan de oppervlakte komen en muzikaal uitgewerkt worden. Het lamento heeft op zijn beurt een aantal historische voorbeelden: Monteverdi (Lamento d'Arianna), Purcell (Dido and Aeneas), Gesualdo da Venosa (Moro Lasso), de middeleeuwse planctus en de déploration in de renaissance, en verder bij Bach, Haydn, Mozart en Beethoven. Lamento's komen ook voor in de traditionele volksmuziek, waar het zingen voor de afgestorvene een belangrijk gegeven is. Ligeti refereert aan de Andaloesische cante jondo, aan de Roemeense Bocet, de klaagzang van de vrouwen en aan begrafenisliederen uit Transsylvanië. Centraal in zijn lamento staat een diatonisch chromatische dalende lijn als een ostinato, dat vanuit de piano steeds sterker en aangrijpender wordt en tenslotte de twee medespelers meesleept in de ostinato ontwikkeling. Wat de instrumenten ook pogen te ondernemen om in steeds hogere regionen het ostinato van zich af te schudden, het laat hen niet los. Ligeti laat het ostinato in vele varianten horen in de piano en combineert het met een akkoordmotief in de viool, dat afgeleid is uit de hoornkwinten van het eerste deel.

Praktische info :

Het Collectief & Mirella Hagen : Janacek, Bartók, Ligeti
Vrijdag 29 mei 2015 om 20.00 u
Salons voor Schone Kunsten - Sint-Niklaas


Meer info : www.ccsint-niklaas.be en hetcollectief.be

Extra :
György Ligeti : www.schott-musik.de en youtube
Györgi Ligeti (1923 - 2006): emotioneel scepticus, Jan de Kruijff op www.musicalifeiten.nl, juni 2006

Bron: tekst Yves Knockaert voor deSingel, september 2000

20:49 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

28/04/2015

Gents Universitair Symfonisch Orkest en Tcha Limberger Trio met een unieke wereldcreatie in Gent

Tcha Limberger Het voorjaar van 2015 belooft muzikaal inspirerend te worden voor het Gents Universitair Symfonisch Orkest (GUSO). Sluitstuk van dit programma wordt een nieuwe creatie van Simon Thierrée, het Triple Fall Concerto, waarin klassieke muziek en verschillende muzikale zigeunertradities uit Europa in dialoog treden. Dit werk brengt de drie solisten van het Tcha Limberger Trio - met Hongaarse muzikale roots - en het GUSO samen in een unieke wereldcreatie die je in geen geval mag missen.

Op vraag van het GUSO componeerde de Brusselse componist Simon Thierée een concerto voor klassiek orkest en de drie solisten van het Tcha Limberger Trio. Dit unieke werk combineert de de klassieke muziek met de muzikale zigeunertraditie en verweeft ze met elkaar. Daarnaast brengt het orkest met de Hongaarse Dansen van Brahms en de Dance Suite van Bartok een volledig Hongaarse avond. Na de wereldpremière in Boedapest staan zij met het Triple Fall Concerto binnenkort ook voor een Belgisch publiek, namelijk op 30 april in Muziekcentrum De Bijloke en op 8 mei in het Capitole in Gent.

De creatie van Triple Fall Concerto is verweven met de persoon van Tcha Limberger. Het gaat om geschreven/gecomponeerde muziek, gespeeld door een muzikant uit de 'mondelinge traditie'. Er wordt naar gestreefd om de 'klassieke' schriftuur met de muzikale zigeunertradities uit verschillende streken van Europa te verbinden zonder de mogelijkheden ervan al te zeer in te perken.

De bijzondere uitdaging en tegelijk de originaliteit van het werk bestaat erin het specifieke Tcha Limberger Trio (viool/zang, contabas en gitaar) in het symfonische orkest te incorporeren op een manier dat het orkest niet enkel als een extensie of kleurverrijking van het trio fungeert, maar ook als dusdanig zich de traditionele melodiën en technieken in de eigen speelwijze toeëigent.
Het werk kadert in een cyclus van 4 werken voor 4 verschillende instrumentale formaties van ongeveer dezelfde lengte. Die representeren de 4 seizoenen of liever de spirit van respectievelijk deze seizoenen.

We kunnen nauwelijks praten over een triple concerto zonder enige referentie aan dat van Beethoven uit 1803, een unieke vorm in de muziekgeschiedenis. Volgens sommigen roept deze een zekere herinnering op aan het oudere concerto grosso en het is dat aspect dat hier wordt uitgewerkt in de behandeling van de solistenpartijen. Behalve de speelduur van ca 34 minuten, de opdeling in 3 delen en de basisbezetting 2.2.2.2 /2.timp/strijkers (10.8.6.8.4) is het verder niet de bedoeling om zich te spiegelen aan Beethoven en diens erfgoed.

Het eerste deel, 'Equinoxe' (Equi: égal, nox:nuit) bestaat uit 2 spiegelbeelden van elkaar, de dag en de nacht met vrij veel onderbrekingen en kadenzen voor de solisten. De laatste kadens eindigt op een partij gezongen door Tcha Limberger, in werkelijkheid eigenlijk het begin van het tweede deel. (deel 1 & 2 worden aan elkaar gelieerd als 1 deel) Het tweede deel, 'Mê Sunooa', Largo, is opgebouwd rond een lied van de familie Limberger. Deel drie, 'Valse Tzigane', Tempo di walzer, is verrassend en vinnig met veel dialoog tussen trio en orkest. Deel vier ten slotte, 'Popuri Românesc', is een danssuite geïnspireerd op het opzwepende spel van  de moldavische orkesten van de jaren  1960-1980 met materiaal van 1ste en 2de deel en nieuwe persoonlijke vondsten.

Simon Thierrée, inmiddels Brusselaar, studeerde viool, kamermuziek en compositie aan het Conservatoire de Rennes. (F) Hij componeerde voornamelijk muziek voor theater en film. Zo is hij als componist verbonden aan gerenommeerde ensembles of collectieven als Les Slovaks Dance Collective, Rodrigo Pardo, Compagnie du Cardage, François Juliot (Budapest), Anton Lashky (Bratislava) en Cie Les Oiseaux Fous (France). Hij schreef onder meer soundtracks voor de langspeelfilms 'Rosenn' van Yvan Lemoine en 'Osun Osogbo et le nouvel art sacré' (Réal. Pierre Guicheney). Pulsar Ensemble nam eerder al werk van Simon Thierrée op in de Jet Studios in Brussel. (2012)

Tcha Limberger, kleinzoon van de legendarische Piotto Limberger en zoon van Vivi Limberger, heeft het muzikale zigeunerbloed door de aderen lopen. Op het gebied van talent en veelzijdigheid steekt hij vader en grootvader naar de kroon. Indrukwekkend met wie hij allemaal al niet gespeeld heeft. Hij werkte met Fabrizio Cassol, Alain Platel en Aka Moon maar ook Dick Vander Harst, Fapy Lafertin en Koen De Cauter en ook Jordi Savall. Hij wordt geregeld uitgenodigd om met Jordi Savalls wereldbefaamde ensemble Hespèrion XXI deel te nemen aan vertolkingen van Balkan-, zigeuner-, mediterrane en Sefardische muziek. Door de mythische verhalen over zijn grootvader en door opnames van Toki Horvath, ging hij in Boedapest zijn viooltechniek bijschaven en inzicht verwerven in de Hongaarse stadsmuziek. Daar ontmoette hij het derde lid van het trio, de Hongaarse contrabassist Vilmos Csikos.

Praktische info :

GUSO ft Tcha Limberger Trio : Tripple Fall Concerto
Donderdag 30 april 2015 om 20.30 u
Muziekcentrum De Bijloke - Gent

------------------------------------
Vrijdag 8 mei 2015 om 20.30 u
Capitole - Gent


Meer info : www.guso.be

22:53 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

02/01/2014

Topconcert met Symfonieorkest Vlaanderen in Brugge, Gent en Antwerpen

Magnus Lindberg Phanta rei! Alles vloeit! Zo kunnen we de eendelige compositie Parada van de Finse componist Magnus Lindberg (foto) het beste omschrijven. Als een voortkabbelende rivier verplaatst de muziek zich naadloos tussen langzame meditatieve golven en hevig bruisende stroomversnellingen. Wie dacht dat Rachmaninov 3 of Prokofiev 2 hun gelijke niet kennen, zal hoogstwaarschijnlijk opschrikken bij het horen van Béla Bartók's Tweede Pianoconcerto. A finger-breaking piece! Als een geoefende acrobaat baant pianist Alexander Madzar zich een weg tussen aartsmoeilijke passages, vliegensvlugge toonladders en dissonante toonclusters. Daarna verplaatsen we ons naar het idyllische Oostenrijkse stadje Pörtschach waar Johannes Brahms in een betoverend landschap zijn Tweede Symfonie componeerde. Niet voor niets kreeg deze ode aan de natuur, met zijn opgewekte toonaard en herderlijk karakter, de passende bijnaam 'Pastorale'. Dirigent Andreas Delfs, jou zeker niet onbekend, zorgt met dit gevarieerde repertoire voor een topconcert met het Symfonieorkest Vlaanderen.

De Fin Magnus Lindberg (1958) is dit seizoen de centrale componist van het Symfonieorkest Vlaanderen. Hij was Composer in Residence bij de New York Philharmonic en schreef werken in opdracht van onder meer de Berliner Philharmoniker. Hij is zeer goed bevriend met dirigent Esa-Pekka Salonen en werkte reeds voor diverse projecten met hem samen. Uit zijn uitgebreide repertoire selecteerde het Symfonieorkest voor dit seiaoen 4 werken: Feria, Parada, zijn Klarinet- en Vioolconcerto.

Dat Magnus Lindberg veruit de populairste onder de Finse componisten is, komt allicht doordat hij zich nooit helemaal heeft geschikt naar de dictaten van de naoorlogse hedendaagse muziek. Hij studeerde weliswaar in Darmstad, kent de computer door en door en vertolkte als pianist al werk van Boulez, Stockhausen en Berio. Toch is in zijn recente werken vooral de brute energie te horen van de punkgroepen die hem in de jaren 1980 beïnvloedden. Er waait een wervelwind over zijn grote, dramatische fresco's waarin de harmonie vervat ligt tussen spanning en ontspanning... Voor Magnus Lindberg is fysieke contact met de klank tijdens het compositieproces van essentieel belang. Daarnaast heeft hij altijd al de behoefte gevoeld om te communiceren met het publiek. De concertdimensie, met de bijbehorende adrenaline, is voor hem zeer belangrijk.

Magnus Lindberg is tijdens de voorbije twee seizoenen huiscomponist geweest bij de New York Philharmonic Orchestra (2009-2010). Hij is vooral bekend door zijn symfonische werken als 'Feria' en 'Corriente' en staat garant voor degelijkheid en métier. Nochtans geniet hij bij het grotere publiek de naam van 'enfant terrible'. Ten dele terecht misschien, maar ten dele ook zeker niet. Zijn werk getuigt van een grote vakkennis en heeft binnen de hedendaagse muziek een gigantische artistieke kwaliteit. Wie de moeite en tijd neemt om zijn werken grondiger te leren kennen, komt erachter dat in de klankmassa een groot kunstenaar schuilgaat. Lindberg noemt zichzelf 'romantisch' en heeft geen probleem te onderkennen dat hij als modernist teruggrijpt naar voorbeelden uit het verleden, zij het zonder enige vorm van nostalgie.

Programma :

  • Magnus Lindberg, Parada
  • Bela Bartók, Pianoconcerto nr. 2 in sol groot
  • Johannes Brahms, Symfonie nr. 2 in re groot, opus 73

Praktische info :

Symfonieorkest Vlaanderen & Alexander Madzar : Lindberg, Bartok, Brahms
Dinsdag 7 januari 2014 om 20.00 u
Concertgebouw - Brugge

't Zand 34
8000 Brugge

Meer info : www.concertgebouw.be en symfonieorkest.be
---------------------------------------
Zaterdag 11 januari 2014 om 20.00 u
Muziekcentrum de Bijloke - Gent

Jozef Kluyskensstraat 2
9000 Gent

Meer info : www.debijloke.be en symfonieorkest.be
---------------------------------------
Zondag 12 januari 2013 om 15.00 u
deSingel - Antwerpen

Desguinlei 25
2018 Antwerpen

Meer info : www.desingel.be en symfonieorkest.be

Extra :
Magnus Lindberg op en.wikipedia.org, www.boosey.com, www.musicsalesclassical.com en youtube

Elders op Oorgetuige :
Symfonieorkest Vlaanderen combineert Lindbergs Klarinetconcerto met Dvorák en Janácek, 9/12/2013
Symfonieorkest Vlaanderen plaatst Finse componist Magnus Lindberg in de kijker, 4/10/2013

13:06 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

18/10/2013

Kersvers directeur Salzburger Festspiele Markus Hinterhäuser en Moldavische stervioliste Patricia Kopatchinskaja in de Handelsbeurs

Patricia Kopatchinskaja Maandag komt kersvers directeur van de Salzburger Festspiele Markus Hinterhäuser met de Moldavische stervioliste Patricia Kopatchinskaja (foto) naar de Handelsbeurs in Gent. Het programma van dit concert werd onlangs gewijzigd. De oorspronkelijk geplande vioolsonates van Robert Schumann werden geruild voor een extra sonate voor viool en piano van Galina Oestvolskaja en voor werk voor solo viool van Béla Bartók en György Kurtag. De muziek voor viool en piano van Oestvolskaja wordt zelden uitgevoerd. Bovendien hebben zowel Kopatchinskaja als Hinterhäuser een bijzondere band met de muziek van deze eigenzinnige Russische componiste. Ook is Patricia Kopatchinskaja zelden te horen in solo-repertoire.

Wanneer Patricia Kopatchinskaja op de affiche staat, dan mag je je gegarandeerd aan een duizelingwekkend avontuur verwachten. Op het podium springt deze versatiele vioolvirtuoze zelden zuinig met haar energievoorraad om. Bovendien kiest ze doorgaans voor spannende en uitdagende programma's die misschien niet altijd voor de hand liggen, maar wel dubbel en dik het ontdekken waard zijn. De partituren van dit concert hebben nog niet de kans gehad om stof te vergaren. Meer nog, terwijl de Russische Galina Oestvolskaja (1919-2006) nog maar enkele jaren is overleden, is de Hongaar György Kurtág (1926) nog steeds 'alive and kicking'. Voeg aan dit rijtje ook Béla Bartók (1881-1945) toe en het Oost- Europese onderonsje van Kopatchinskaja, zelf van Moldavische afkomst, is compleet.

Muzikale miniatuurtjes
Als Hongaar werd György Kurtág onvermijdelijk beïnvloed door de haast primitieve expressiekracht van Bartóks oeuvre. Toen hij in 1957 de toestemming kreeg om naar Parijs te reizen, leerde hij er naast werken van Stravinsky, Messiaen en Boulez vooral ook de muziek van Webern kennen. De extreem geconcentreerde stijl van die laatste heeft een blijvende uitwerking gehad op Kurtágs composities. De belangrijkste factor in de ontwikkeling van Kurtágs compositorische persoonlijkheid was echter de psychologe die hem eind jaren '60 doorheen een persoonlijke en artistieke crisis hielp: Marianne Stein. Stein adviseerde Kurtág om opnieuw te vertrekken van de kleinst mogelijke compositie, namelijk de verbinding tussen twee noten. Sindsdien zijn beknoptheid, terugplooien op de essentie van het muzikale materiaal, directe expressie en een gereduceerde bezetting sleutelbegrippen voor Kúrtags schrijfwijze.

De eerste werken waarmee Kurtág zijn vertwijfeling en ongenadige zelfkritiek te boven kwam, waren de Játékok (Spelletjes) voor piano (1975-9). Die stukjes waren bedoeld om kinderen op een spontane manier te laten experimenteren met klank en gewaarwording. Tegelijkertijd werkten deze composities bevrijdend voor Kurtág zelf. Al snel brak het concept uit zijn voegen en werd Játékok een work in progress. Het nam de gedaante aan van een compositorisch laboratorium annex muzikaal dagboek waarin Kurtág muzikale hommages bracht aan vrienden of overleden collega's herdacht. Het fundamentele principe van deze reeks vertaalde Kurtág in de jaren '80 ook naar een verzameling voor blaasinstrumenten en een bundel Jelek, játékok és üzenetek (Symbolen, spelletjes en boodschappen) voor strijkers (1989-...). Deze strijkerscollectie bevat hypergebalde bagatelles voor verschillende bezettingen. De veertig Kafka-fragmenten voor viool en sopraan (1985-6) werden opgedragen aan Stein. Het zijn losse miniatuurtjes waarin woorden en zinnen uit de geschriften van Franz Kafka van muziek werden voorzien. De zangeres en de violist(e) voeren op die manier een existentiële dialoog over het wezen van de kunst en het bestaan. Kopatchinskaja koos voor de allerkortste stukjes (maximaal 15 seconden lang) waarvan ze naast de vioolpartituur tegelijkertijd ook de zangpartij kan uitvoeren.

Gestolde vluchtigheid
György Kurtág en Galina Oestvolskaja hebben alvast met elkaar gemeen dat beider internationale bekendheid pas dateert van de jaren '80. Oestvolskaja's improductieve bescheidenheid en teruggetrokken bestaan deden de verspreiding van haar oeuvre weinig goed. Omwille van de behoudsgezinde cultuurpolitiek in de Sovjet-Unie waren haar meest vernieuwende werken bovendien gedoemd om jarenlang onder de radar van het regime te blijven. Dat hetzelfde sovjetregime zich anderzijds bediende van Oestvolskaja's Sonate voor viool en piano (1952) om aan het Westen te bewijzen dat er ook langs de andere kant van het Ijzeren Gordijn moderne muziek werd geschreven, draaide niet meteen uit op een geslaagde promotiecampagne. Ook op persoonlijk vlak ging het Oestvolskaja niet zomaar voor de wind. In 1960 overleed plots haar levenspartner, waardoor ze vervolgens uit haar appartement werd gezet. Volgens het socialistisch realisme konden immers alleen koppels aanspraak maken op een comfortabele woonst. Het enige overgeleverde werk dat ze in deze donkere periode neerschreef, is het Duo voor viool en piano (1964).

Hoewel Oestvolskaja elke inwerking van buitenaf weerde en haar oeuvre naar eigen zeggen niets te maken heeft met het werk van andere componisten, vertonen haar eerste composities nog de invloed van Bartók en haar leraar Sjostakovitsj. Oestvolskaja's ritmische systeem was evenwel uniek. Ze noteerde haar werken in de maatsoort ¼ zonder maatstrepen. Daardoor nivelleerde ze de hiërarchie tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde noten: elke kwartnoot is gelijkwaardig aan elke vorige en elke volgende kwartnoot. Een dergelijke werkwijze legt de nadruk eerder op afzonderlijke muzikale gebeurtenissen dan op een procesmatig verloop. De tijd staat als het ware steeds een ogenblik stil vooraleer de zorgvuldig gemodelleerde klank weer vervluchtigt en moet worden herhaald. Door het statische karakter van dergelijke momentopnames wordt Oesvolskaja's muziek vaak met de beeldhouwkunst vergeleken.

Programma :

  • Galina Oestvolskaja, Sonate voor viool en piano (1952)
  • Béla Bartók, Sonate voor viool solo (1944)
  • György Kurtág, Selectie voor viool solo uit 'Signs, Games & Messages' en 'Kafka-Fragments' opus 24
  • J.S. Bach, Chaconne uit de partita in d voor viool solo
  • Galina Oestvolskaja, Duo voor viool en piano (1964)

Tijd en plaats van het gebeuren :

Patricia Kopatchinskaja & Markus Hinterhauser : Oestvolskaja, Bartok, Bach, Kurtag
Maandag 21 oktober 2013 om 20.15 u
Handelsbeurs Concertzaal - Gent

Kouter 29
9000 Gent

Meer info : www.handelsbeurs.be en patriciakopatchinskaja.com

Bron : tekst Pieter Herregodts voor het programmaboekje, De Handelsbeurs, oktober 2013

Extra :
Patricia Kopatchinskaja & Markus Hinterhäuser. Wispelturigheid als kwintessens van een muzikale persoonlijkheid, Hildegart Maertens op Kwadratuur.be, 6/10/2013
Galina Oestvolskaja op www.sikorski.de en youtube
Mokerslagen op de poort van de eeuwigheid: Galina Ivanovna Oestvolskaja (1919 - 2006), Kristel Vastenavont op www.opusklassiek.nl, mei 2008 (pdf)
Ustvolskaya. A Grand Russian Original Steps Out Of The Mist, Alex Ross in The New York Times, May 28, 1995 op www.therestisnoise.com
Ligeti, Oestvolskaja, Kagel, Yves Knockaert, programmaboekje voor het concert van Schönberg Ensemble/Asko Ensemble & Reinbert de Leeuw in deSingel op 23 mei 2003, 20 mei 2003 op www.desingel.be (pdf)
Viktor Suslin over Galina Oestvolskaja op www.sikorski.de (pdf)
Galina Ivanova Oestvolskaja (1919 - 2006): Vrouw met de lithurgische moker, Jan de Kruijff op www.musicalifeiten.nl
The Lady with the Hammer. The music of Galna Ustvolskaya, Ian MacDonald op www.siue.edu
György Kurtág op www.boosey.com en youtube
The Mind is a Free Creature. The music of György Kurtág , Rachel Beckles Willson op www.ce-review.org, 24/03/2000

Beluister alvast Galina Oestvolskaja's Sonate voor viool en piano

12:23 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

20/04/2013

Hongaarse happening in het Concertgebouw Brugge

Bela Bartók Diverse topensembles en -muzikanten gaan op zoek naar de invloeden van de Centraal-Europese volksmuziek op enkele van de grootste componisten van de vorige eeuw. De pianist Levente Kende, die dit seizoen tijdens drie concerten in deSingel (Antwerpen), de Handelsbeurs (Gent) en Concertgebouw Brugge de integrale pianomuziek van Bartók (foto) vertolkt, speelt in Brugge zijn meest volkse klavierwerken. Het Collectief brengt Hongaarse kamermuziek van Bartók, Liszt en Kodály tot Ligeti, Kurtág en Eötvös. Het Kalotaszeg Trio ten slotte, genoemd naar de regio in Transsylvanië waar Bartók veel opnames van folkloremuziek maakte, speelt Hongaarse en Roemeense muziek en zigeunerrepertoire. Het Concertgebouw baadt een dag lang in de sfeer en geest van Centraal-Europa.

Het Collectief I - 10.30 u
- Béla Bartók (1881-1945) , Sonate voor viool solo, Sz117, BB124
- Gyorgy Ligeti (1923-2006), Etude 13 'L'escalier du diable' uit Etudes, boek II
- Zoltán Kodály (1882-1967), Sonate in b voor cello solo, opus 8

Het Collectief II - 15.30 u
- Peter Eötvös (1944), Psy
- Gyorgy Kurtág (1926), Schatten
- Franz Liszt (1811-1886), La lugubre gondola III, S134
- László Tihanyi (1956), Nachtszene
- Peter Eötvös, Cadenza uit Shadows
- Béla Bartók, Contrasts, Sz111, BB116

Kalotaszeg Trio - 11.45 u & 17.00 u

Levente Kende I - 11.45 u
- Béla Bartók (1881-1945), 2 Elegieën, Sz41, BB49, opus 8b - 14 Bagatellen, Sz38, BB50, opus 6 - Roemeense Kerstliederen, Sz57, BB67 - 2 Roemeense Volksdansen, Sz43, BB56, opus 8a

Levente Kende II - 14.00 u
- Béla Bartók, Selectie uit Voor kinderen, Sz42, BB 53: boek I-IV - Mikrokosmos, Sz107, BB 105: boek I-VI

Levente Kende III - 17.00 u
- Béla Bartók, 6 Roemeense Dansen, Sz56, BB68 - 3 Hongaarse Volksliederen, Sz66, BB80b - Suite, opus 14, Sz62, BB70 - 15 Hongaarse Boerenliederen, BB79

Tijd en plaats van het gebeuren :

Een Hongaarse Happening
Zondag 21 april 2013 vanaf 10.30 u
Concertgebouw - Brugge

't Zand 34
8000 Brugge

Meer info : www.concertgebouw.be

21:29 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

15/03/2013

Feestconcert Brussels Philharmonic met wereldcreatie van Michel Tabachniks tweede vioolconcerto in Flagey

Michel Tabachnik Het Feestconcert 'Flagey 75' van Brussels Philharmonic staat helemaal in het teken van de creatie. Naast de wereldpremiere van Michel Tabachniks Genese II met concertmeester Otto Derolez als solist staat ook een herneming van een historische creatie op het programma: Béla Bartóks' Concerto voor Orkest', dat op 29 mei 1945 zijn Europese première vierde o.l.v. de Brusselse dirigent Franz André. 

Michel Tabachnik staat in België vooral bekend als chef-dirigent van Brussels Philharmonic. Maar weinigen weten dat hij internationaal ook als auteur en componist bekend is. Zijn werken worden over heel Europa gespeeld, dit seizoen onder meer op de Biennale di Venezia en het Musica Festival Strasbourg. Zijn eerste vioolconcerto werd in 2010 uitgevoerd door het Noord Nederlands Orkest. Zijn tweede vioolconcerto, Genèse, heeft Tabachnik opgedragen aan Otto Derolez, sinds 1999 concertmeester van Brussels Philharmonic.

Otto Derolez voerde in de loop van zijn carrière al verschillende hedendaagse vioolconcerto’s uit: onder meer het Vioolconcerto van Jeroen D’hoe (in 2000, met VRO/Brussels Philharmonic olv Bjarte Engeset), het Vioolconcerto “Die Vlinder” van Boudewijn Buckinckx (in 2002, met VRO/Brussels Philharmonic olv Etienne Siebens), de Belgische creatie van “Corale su Sequenza VIII” van Luciano Berio (in 1996, met de Beethoven Academie olv Lucas Vis), en de Belgische creatie van het Vioolconcerto van John Adams (in 2005 met deFilharmonie olv Ed Spanjaard). Met Genèse van Michel Tabachnik is hij dus niet aan zijn proefstuk toe. Toch blijft de creatie van een nieuw werk een hele uitdaging.

 Otto Derolez, solist viool: "Genèse is een apart werk omdat het in een heel eigen muzikale taal geschreven is. Als er in dit Concerto dan toch één element te vergelijken is met de klassieke vioolconcerti, dan is het wel de relatief traditionele behandeling van de viool op zich. Dit is het enige domein waar de componist een klassieke verhouding houdt tussen de solist en zijn instrument."

Geen avant-garde technieken, geen kwarttonen, geen oneindige hersenspinsels over het 'anders' gebruiken van het instrument. Op dit vlak is dit werk een, misschien wel verademende, teruggrijpen naar het verleden - hoewel het totale klankbeeld met het orkest zeer actueel is. Een uitgebreide slagwerksectie (we merken vooral het gebruik van meerdere exotische instrumenten op) in combinatie met een zeer gediversifieerde en bijna uiteengerafelde strijkerssectie zorgen voor een bijzonder interessant klankspectrum, waarboven de viool vrij, bijna improvisatorisch, soleert.

De sfeer die het begin van het werk oproept knoopt aan bij een vergeten Weense nostalgie, maar ontwikkelt zich al snel tot een zeer eigentijdse klanksfeer, via niet aflatende, ritmische, overactieve cellen met enorme tessituursprongen,.

Daar waar de thematische inhoud van Genèse de mysteries opzoekt rond het ontstaan van de aarde, daar waar fysica en geschiedenis elkaar bijna raken, ligt de artistieke uitdaging van dit werk in het vinden van een synergie tussen enerzijds het overmeesteren van fysisch quasi onoverbrugbare grepen, en anderzijds de spirituele uitdrukking van het zich onttrekken aan elke wereldse materie."

Naast de wereldpremiere van Genèse II staat die avond ook een herneming van een historische creatie op het programma: Béla Bartóks' Concerto voor Orkest', dat in 1945 zijn Europese premiere vierde, uitgevoerd door de voorloper van Brussels Philharmonic, het toenmalig 'Groot Omroepsorkest'. <

Terwijl Darius Milhaud al van vóór 1936 in het Brusselse muziekleven te gast was, kwam de Hongaarse componist Béla Bartók dankzij het NIR in 1937 voor de eerste keer naar Brussel. Aanleiding voor dit eerste bezoek was het ‘Groote Woensdagavondconcert’ dat Collaer in zijn eerste concertseizoen integraal wijde aan het werk van Bartók. Bartók trad zelf aan als solist in zijn Concerto n° 2 voor piano en orkest en was erg lovend over het Groot Symfonie-Orkest (de illustere voorganger van Brussels Philharmonic): "een uitstekend orkest. Hoe deze mensen van het blad spelen, is verbazend…" Op een moment waarop Bartók in eigen land bekritiseerd werd, en andere grote steden nauwelijks belangstelling hadden voor zijn oeuvre, was er in Brussel een schare aan vertolkers en organisatoren die zijn werk promootten. Zo verzorgde het Groot Symfonie-Orkest op 29 mei 1946 de Europese creatie van het Concerto voor orkest in Parijs.

Programma :

  • August De Boeck, Rhapsodie Dahoméenne
  • Béla Bartók, Concerto voor orkest
  • Michel Tabachnik, Concerto pour violon Nr. 2 'Genèse'
  • Darius Milhaud, Scaramouche

Tijd en plaats van het gebeuren :

Brussels Philharmonic & Otto Derolez : De Boeck, Bartók, Tabachnik, Milhaud
Vrijdag 15 maart 2013 om 20.00 u
(inleiding door Vincent Verelst om 19.30 u)
Flagey - Brussel
H.-Kruisplein
1050 Elsene (Brussel)

Meer info : www.flagey.be en www.brusselsphilharmonic.be

Extra :
Michel Tabachnik: tabachnik.org, www.brusselsphilharmonic.be, nl.wikipedia.org en youtube

00:40 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

30/11/2012

Wibert Aerts en Martijn Vink brengen vergeten folkloristische meesterwerken van Martinu, Schulhoff, Bartók en Xenakis in Heule

Iannis Xenakis Het kamermuziekensemble 'Het Collectief' werd opgericht in Brussel in 1998. De groep bouwde een intrigerende eigen sound op, gekenmerkt door een heterogene mix van blazers, strijkers en piano. In zijn repertoire keert Het Collectief terug naar de roots van het modernisme: de Tweede Weense school. Vanuit deze solide basis worden zowel de grote twintigste-eeuwse composities als de allernieuwste experimentele stromingen verkend. Daarenboven maakt de groep furore met spraakmakende cross-overs tussen het hedendaagse en het traditionele repertoire en met adaptaties van historische muziek. Tijdens het kasteelconcert in Heule komen er uitzonderlijk slechts 2 van de 5 muzikanten, nl. Wibert Aerts (viool) en Martijn Vink (cello). Zij brengen samen vergeten folkloristische meesterwerken van Martinu, Schulhoff, Bartók en Xenakis (foto) .

Programma :

  • Bohuslav Martinu, Duo voor viool en cello No.1
  • Iannis Xenakis, Dhipli Zyla (1952)
  • Ervín Schulhoff, Duo voor viool en cello
  • Bela Bartók, 44 Duo's voor viool en cello (selectie)

Tijd en plaats van het gebeuren :

Het Collectief : Martinu, Xenakis, Schulhoff, Bartok
Zondag 2 december 2012 om 11.00 u
Kasteel Heule

Heulse Kasteelstraat 1
8501 Heule

Meer info : www.hetcollectief.be

Extra :
Iannis Xenakis : www.iannis-xenakis.org, www.arsmusica.be, www.xenakis-ensemble.com en youtube
Iannis Xenakis (1922-2001): Mathematicus en filosoof, Jan de Kruijff op www.musicalifeiten.nl

Elders op Oorgetuige :
Met het Brussels Philharmonic & Arne Deforce op ontdekkingsreis in het unieke universum van Xenakis, 6/11/2012

Beluister hier alvast Iannis Xenakis' Dhipli Zyla

18:48 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

15/11/2012

Hongaarse minimal music met GrauSchumacher Pianoduo in Brugge

GrauSchumacher PianoDuo Het middendeel van György Ligeti's Drei Stücke für zwei Klaviere heet voluit 'Selbstporträt mit Reich und Riley (und Chopin ist auch dabei)'. Tijdens een reis naar Californië in 1972 hoorde de Hongaarse componist voor het eerst de muziek van de minimalisten Steve Reich en Terry Riley. Tot zijn grote vreugde ontdekte Ligeti dat de twee Amerikanen en hijzelf los van elkaar gelijkaardige muzikale ideeën ontwikkeld hadden, op hetzelfde moment, maar in geografisch ver van elkaar verwijderde plaatsen. Het 'zelfportret' legt de link bloot tussen het Amerikaanse minimalisme, met zijn eindeloos herhaalde en subtiel verschuivende muzikale cellen, en Ligeti's zogenaamde micropolyfonie. Dat in Ligeti's muziek niet alleen Reich, Riley (en Chopin) 'dabei' zijn, maar ook Bartók, bewijst dit concert van het GrauSchumacher Pianoduo. De twee pianisten maakten twee seizoenen geleden indruk in Brugge met een ronduit perfecte uitvoering van Stockhausens Mantra.

Wanneer György Ligeti zijn drieluik voor twee piano's componeerde, was hij zeer geïnteresseerd in het werken met een vlechtwerk van kleine, overlappende patronen. Wanneer hij de muziek van Terry Riley en Steve Reich leerde kennen realiseerde hij zich dat die Amerikaanse componisten op een andere manier (er is weinig kans dat een luisteraar de werken van Ligeti met die van Reich of Riley zou verwarren) heel gelijkaardige ideeën en compositietechieken gebruikten. Daarom kreeg het middendeel van dit drieluik de titel 'Selbstportrait mit Reich und Riley (Chopin ist auch dabei)', als "hommage aan de muzikale geestesverwantschap" (zoals Ligeti het zelf formuleert) met zijn twee Amerikaanse collega's . De andere delen heten respectievelijk 'Monument' en 'In zart fliessender Bewegung'. Ligeti zelf klaagt er trouwens over dat de titels van dit drieluik worden afgekort wat hem tot een zeker cultuurpessimisme verleidt: "Vandaag hebben we de wereld van de computer en worden we geconfronteerd met de onnadenkendheid van het individu dat alle verantwoordelijkheid overlaat aan een geautomatiseerde, bureaucratische gemeenschap. Het gevolg is dat in bijna alle concertprogramma's de titel is opgeslokt door de machines en er (omdat het veel te uitgebreid is voor de snel voortschrijdende informatiemaatschappij) verminkt uitkomt als 'Zelfportret', zodat de betekenis van de titel verloren is gegaan. Net dat ene woord is overgebleven, een woord dat echter niets meer te maken heeft met het karakter van het stuk."

Dat het karakter van het stuk nauw aansluit bij minimal music is niet enkel in het middendeel, dat uit overlappende repetitieve motiefjes bestaat, maar ook in de twee hoekdelen duidelijk te horen. 'Monument' is ontworpen als een statische architecturale constructie waarbinnen een vlechtwerk van motieven zich in zes lagen verstrengelt. 'In Zart fliessender Bewegung' is daar de veel dynamischere tegenhanger van en is technisch gesproken opgebouwd als een ingewikkelde spiegelcanon. (*)

Van 'Kosmos', waarmee Peter Eötvös in 1961 als jonge componist doorbrak, krijgen we in Brussel een recente versie voor twee piano's te horen. Peter Eötvös : " 'Kosmos' was een eerste poging om mijn vleugels uit te slaan. Het was een beknopt pianostuk waarin ik mijn fascinatie kwijt kon voor de zeer kernachtige stijl van Anton Webern en voor de elektronische muziek. Die fascinatie voor elektronica, voor het gevoel over grenzeloze muzikale mogelijkheden te beschikken, is altijd gebleven. In 'Kosmos' koppelde ik dat aan de sterrenkunde. Het heelal was immers al even eindeloos en fascinerend. Zo begint mijn stuk met een muzikale oerknal - de bigbangtheorie was toen nog maar pas bekend geworden. Ik trok ook allerlei parallellen met astronomische begrippen. Toen ik 'Kosmos' herwerkte, heb ik een tweede piano toegevoegd. Die speelt ongeveer hetzelfde als de eerste, maar dan in een flexibel tempo, als een onvoorspelbare echo. Het geeft aan het stuk een gevoel van uitdijende ruimte, wat heel mooi werkt." (**)

'Piano Phase' van Steve Reich is hét schoolvoorbeeld van minimal in zijn meest strikte vorm. Reich maakt in dit stuk voor het eerst gebruik van tapeloops voor verschuivende patronen in een live uit te voeren werk. In het San Francisco Tape Music Center legde Reich de basis voor zijn vroege 'minimale' composities. Daar componeerde hij tape-stukken als 'It's Gonna Rain' (1965) en 'Come Out' (1966). waarvoor loops van een identiek tekstfragment werden afgespeeld op meerdere bandrecorders. Het muzikaal vernuft zit hem in een klein verschil in afspeelsnelheid. Bijgevolg beginnen de fragrnenten ten opzichte van elkaar te verschuiven en vormen zo steeds andere ritmische patronen. Voor zijn vroege instrumentale werken destilleerde Reich uit dat mechanische proces een componeertechniek die hij 'phaseshifting' doopte. Ook 'Piano Phase' (1967) is gebaseerd op die werkwijze. Uitgangspunt vormt de constante herhaling van een eenvoudig motief. Aanvankelijk speelt de pianist de melodie synchroon met een bandopname, maar door kleine tempo-fluctuaties begint het motief over zichzelf heen te buitelen. Uiterst minimalistisch materiaal groeit op die manier uit tot een betoverende klankcaleidoscoop van ritmische en melodische moirée-effecten. (***)

Programma :

  • Béla Bartók (1881-1945), Sieben Stücke aus 'Mikrokosmos', BB105
  • György Kurtág (1926), Játékok IV
  • György Ligeti (1923-2006), Sonatina - Drei Stücke für zwei Klaviere
  • Peter Eötvös (1944), Kosmos
  • Steve Reich (1936), Piano Phase

Tijd en plaats van het gebeuren :

GrauSchumacher Pianoduo : Bartók, Kurtág, Ligeti, Eötvös, Reich
Vrijdag 23 november 2012 om 20.00 u
(Inleiding door Jan Christiaens om 19.15 u)
Concertgebouw - Brugge
't Zand 34
8000 Brugge

Meer info : www.concertgebouw.be en www.grau-schumacher.de

Bronnen :
(*) Componist van de kosmos. Interview met Peter Eötvös, Maarten Beirens in De Standaard, 22/03/2011
(**) Tekst Maarten Beirens voor programmaboekje deSingel, mei 2005
(***) Tekst Joep Christenhusz voor programmaboekje deSingel, januari 2011

Extra :
György Kurtág op www.boosey.com en youtube
The Mind is a Free Creature. The music of György Kurtág , Rachel Beckles Willson op www.ce-review.org, 24/03/2000
György Ligeti : www.schott-musik.de en youtube
Györgi Ligeti (1923 - 2006): emotioneel scepticus, Jan de Kruijff op www.musicalifeiten.nl, juni 2006
Peter Eötvös : www.eotvospeter.com, brahms.ircam.fr, en.wikipedia.org en youtube
Steve Reich op www.stevereich.com, en.wikipedia.org, www.boosey.com en youtube
Steve Reich (1936 - ) : Groot minimalist op www.musicalifeiten.nl

Elders op Oorgetuige :
Verbluffende alliantie tussen moderne muziek en visuele kunst met GrauSchumacher Piano Duo in Flagey, 2/09/2012

Beluister alvast György Ligeti's Drei Stücke für zwei Klaviere : Monument - Selbstportrait - Bewegung



en dit fragment uit Steve Reich's Piano Phase

22:16 Gepost in Concert, Muziek | Permalink |  Facebook

12/10/2012

Keller Quartet komt opnieuw naar Leuven met strijkkwartetten van Bartók

Keller Quartet Innovatieve verbeelding, bruisende vitaliteit, indrukwekkende muzikale expressiekracht… De strijkkwartetten van de Hongaarse trots Béla Bartók vormen een hoogtepunt van de 20ste-eeuwse kamermuziek. De drie strijkkwartetten in dit programma weerspiegelen de zoektocht naar een eigen individuele toonspraak. Bartók linkt er zijn roots aan de modernistische invloeden die destijds kwamen aangewaaid uit West-Europa. Keller Quartet bracht het festivalpubliek in 2009 al in vervoering met een adembenemende uitvoering van de strijkkwartetten 2, 3 en 5. Dit is je kans om ook nog 1, 4 en 6 live te beleven of om aflevering twee zeker niet te missen.

Het Keller Quartet, opgericht aan het Liszt Conservatorium in Budapest, breekt in 1990 internationaal door met eerste prijzen op de Evian en Paolo-Borciani wedstrijden. Keller speelt sindsdien op zowat alle belangrijke klassieke muziekpodia in Europa. Hun opname van de strijkkwartetten van Bartók kreeg in 1996 de Preis der Deutschen Schallplattenkritik en geldt nog altijd als dé referentie. Keller Quartet is tot op vandaag een van de beste strijkkwartetten met een veelzijdig repertoire dat reikt van Haydn over Bartók tot Kurtág.

Een programma waarin Bartóks eerste en laatste strijkkwartet prijken, met tussen hen één van zijn middelste, het Strijkkwartet nr. 4, biedt een mooi overzicht over de evolutie van het genre, en dat bij een componist die een toonaangevende lijn ervoor uitzette in de twintigste eeuw. Niemand heeft na Bartók nog een strijkkwartet gecomponeerd zonder aan hem te refereren. Laat dat een lichte overdrijving zijn, maar een componist die het niet luidop deed, deed het dan maar stilzwijgend. Deze drie kwartetten brengen ons van 1908 over 1928 tot 1939: van de jonge componist, 27 jaar oud, tot de vluchteling naar Amerika, enkele jaren voor zijn dood.

In januari 1909 voltooide Bartók zijn Eerste Strijkkwartet, "tot mijn grote vreugde" schreef hij in een brief aan een vriendin. Twee jaar eerder was hij begonnen met de schetsen en even tevoren was hij zo verliefd geweest op de violiste Stefi Geyer dat hij een vioolconcerto voor haar geschreven had. Onder een hoofdmotief schreef hij “dit is jouw leidmotief”, en onder een verwant motief “liefde”. In de twee delen wilde hij de karaktertrekken van zijn geïdealiseerde vriendin uitcomponeren en het eerste deel gold tegelijk als zijn liefdesverklaring. Toen hij haar de afgewerkte partituur opstuurde was het liefdesvuur al gedoofd en de relatie beëindigd. Maar zijn leidmotief was Bartók niet vergeten. Hij gebruikte het later opnieuw in verschillende stukken, waaronder het Eerste Strijkkwartet. Wat meer is: het Eerste Strijkkwartet toont grote gelijkenissen met het materiaal uit het eerste deel van het Vioolconcerto, zijn ‘ideaal’. Volgens sommigen vormt het tweede deel van het kwartet dan het ‘tegenbeeld’ daarvan: het treuren over de verloren liefde. In de Allegro vivace finale vindt evenwel de terugkeer naar het leven plaats. Bartók werkt deze beweging uit in zijn typisch vitalistische stijl, vol referenties aan de Hongaarse volksdansritmiek. Ongetwijfeld vormt dit strijkkwartet de eerste getuigenis van de volle bloei van Bartóks persoonlijke stijl.

In zijn Vierde Strijkkwartet uit 1928 zet Bartók over de vijf delen een perfecte boogstructuur uit: het Non troppo lento middendeel wordt omgeven door twee scherzi (delen twee en vier), terwijl de hoekdelen beide Allegro zijn. Bovendien zullen deze hoekdelen hetzelfde hoofdthema centraal stellen, terwijl ook delen twee en vier van hetzelfde thematische materiaal gebruik maken en zelfs als twee varianten van eenzelfde basisgegeven kunnen worden beschouwd. Het gaat om stijgende en dalende toonladderfiguren, normaal (diatonisch) aangewend of met opgedreven spanning (chromatisch). Door deze figuren en ook de thema’s in de andere delen in verschillende verschijningen te verwerken creëert Bartók een hoogst persoonlijke dramatiek. Bovendien maken delen twee en vier opvallend gebruik van ongewone speelwijzen: sourdine, pizzicato, glissando, stijgende en dalende akkoorden (zowel arco als pizzicato), de befaamde Bartók-pizzicato waarbij de aangetokkelde snaar tegen het hout van de toets kletst (meer zelfs: de allereerste toepassing ervan) en de tremolo-pizzicato. Verder komen ook col legno battuto (slaan met het hout van de strijkstok op de snaren) voor en het vervormen van de klank door tegen de kam te spelen. Dat alles maakt dat de timbre evolutie in het werk even belangrijk is als de thematische uitwerking. Binnen elk deel komen complexe structuren voor, gebaseerd op de sonatevorm (eerste deel) en de ABA-vorm (tweede en vierde deel). Veel polyfone momenten, met typische canons en omkeringen, maken het eerste en het vijfde deel tot hoogtepunten van contrapuntische uitwerking. Bartóks Vierde Strijkkwartet is een uiterst geconcentreerd werk, krachtig en zeer consequent opgebouwd vanuit enkele kernideeën. Wat daarbij natuurlijk niet kon ontbreken is de dansfinale, opgevat als een geweldige ontlading.

Het Zesde Strijkkwartet is naast het Divertimento voor strijkers, beide uit 1939, het laatste werk dat Bartók in Hongarije schreef, voor zijn vertrek naar Amerika. Het werd voor het eerst uitgevoerd in 1941 in New York. We weten met zekerheid dat Bartók dit kwartet vierdelig bedoeld had, waarbij hij op een nieuwe wijze de muzikale eenheid onder de verschillende delen wilde aantonen: door dezelfde aanvang telkens te herhalen. Het beginmotto moest respectievelijk leiden naar een Vivace, een Marcia, een Burletta en een dansfinale. Binnen elk deel moest er dan eigen materiaal, zonder verwantschap met de andere delen, benut worden. De dansfinale heeft hij nooit gemaakt, alhoewel hij op een bepaald ogenblik zijn Londense uitgever vroeg te wachten met het drukken omdat hij misschien nog de finale wilde veranderen. We zouden dus kunnen veronderstellen dat het om een klassiek Bartók-strijkkwartet gaat, met enkele lichtere en humoristische delen, zoals de mars en de burleske. Naarmate het componeren vorderde drong het motto, de herhaalde aanvang van elk deel, zich echter hoe langer hoe meer op als een treurende gedachte en Bartók twijfelde waarschijnlijk daarom de dansfinale uit te schrijven.

Natuurlijk speelden de politieke gebeurtenissen van de jaren '30 daarin een grote rol. Reeds in 1931 had Bartók zich radicaal opgesteld tegen het fascisme, met als gevolg dat hij na 1933 niet meer in Duitsland mocht optreden en vanaf 1937 alle radio-uitzendingen van zijn muziek in Duitsland en Italië verboden waren. Bartók voelde zich door het nazisme steeds meer bedreigd, en na de dood van zijn moeder vertrok hij dan ook meteen naar Amerika. Hij verliet Budapest in oktober 1940 om er nooit terug te keren.

Terug naar het Zesde Strijkkwartet. Mesto staat als aanvang van elk van de delen genoteerd. Het betekent 'droevig, bedrukt'. Bartók had deze term eerder slechts één keer als uitvoeringsaanwijzing gebruikt: bij zijn opus 1, de Rapsodie voor piano en orkest. Dat betekent dat mesto voor hem een wel zeer speciale inhoud droeg en men neemt dan ook aan dat hij ermee wilde verwijzen naar Beethovens gebruik van de term in het Largo van de Zevende Pianosonate en in zijn Strijkkwartet op. 18 nr. 6. De mesto-thematiek drukt zeer zeker de inkeer, de bezorgdheid en het treuren over de politieke gebeurtenissen en de onheilspellende vooruitzichten voor de toekomst uit. Het thema wordt allereerst door de altviool solo gebracht, bij het tweede deel door de cello met een antwoord van de viool, en in het derde deel is het reeds driestemmig: eerste en tweede viool en cello, na enkele maten aangevuld door de altviool tot vierstemmigheid. Bij de finale ten slotte heeft het Mesto de omvang van een volledig kwartetdeel aangenomen, waarbij de geconcentreerde polyfonie de bedrukte verinnerlijkte droefheid dermate verdiept dat er geen snel deel meer als besluit kon volgen. Bovendien heeft Bartók afgezien van zijn oorspronkelijk plan om elk deel eigen materiaal te geven. Zowel de mars als de Burletta hebben een thema dat afgeleid is van het mesto-gegeven. Op het hoofdthema van het Vivace, het eerste deel, wordt dan nog eens gealludeerd in de finale.

De verstilde uitdrukking herinnert aan Bartóks eerste twee strijkkwartetten. Bovendien is de lamento-idee van het Tweede Strijkkwartet nu over het geheel van de compositie uitgespreid. Wie vermoedt een humoristisch element in de Marcia en de Burletta te horen komt dus bedrogen uit. Het zijn geen parodieën, hoogstens sarcastische toespelingen op werkelijk bestaande toestanden. De mars is die van het opstappende leger. Ze vertraagt en wordt door Bartók naar de hoge tessituur gevoerd, waar ze in de hoogste tonen in een sfeer van opperste ironische hilariteit, in de zin van totale nutteloosheid eindigt. Tussenin heeft Bartók een trio geschoven met een cello die het mesto-thema pijnlijk karikaturiseert, met een banjo-begeleiding in de altviool. In de Burletta meende men soms jazzinvloeden en een night-club-parodie te kunnen horen, waarvan de toon dichtbij het voor klarinettist Benny Goodman geschreven Kontraste komt. De hoon, het sarcasme en de bijtende ironie zijn hier echter veel sterker en maken de burleske tot een angstaanjagende groteske. Bartók benadert hier merkwaardig dicht de strijkersbehandeling van de parodiërende stijl van Stravinsky. Waar het eerste deel met zijn Vivace nog wat hoop uitdrukt, moet deze hoop doorheen het tweede en het derde deel plaats maken voor een besef van het absurde van de wereldsituatie. De finale laat geen enkele hoop meer over. Er blijft enkel bedroefd treuren. Tot tweemaal toe noteert Bartók "senza colore" op de partituur, om ten slotte te eindigen met "più dolce, lontano".

Tijd en plaats van het gebeuren :

Keller Quartet : Bartók expressief
Maandag 15 oktober 2012 om 20.30 u
(Inleiding door Yves Knockaert om 19.45 u)
Iers College - Leuven
Janseniusstraat 1
3000 Leuven

Meer info : www.festivalvlaamsbrabant.be

Bron : Programmatoelichting Yves Knockaert

Elders op Oorgetuige :
Novecento zet exploratie verder van de wonderbaarlijke muzikale 20ste eeuw, 19/09/2012

Beluister alvast het eerste deel van Bartóks Strijkkwartet nr 4, uitgevoerd door het Keller Quartet

15:57 Gepost in Concert, Festival, Muziek | Permalink |  Facebook