01/11/2012

Review : Transit 2012

Transit Zoals van oudsher vond tijdens het laatste weekeind van oktober in Leuven het festival voor nieuwe muziek Transit plaats. Het was evenwel een ietwat andere editie. Van 25 oktober tot en met 4 november vinden ook de ISCM World Music Days plaats in België. En Transit is een van de deelnemende partners. Dat betekende dat de programmatie niet helemaal autonoom gebeurde, maar in samenspraak met ISCM. Dat vraagt om wat toelichting.

ISCM staat voor International Society for Contemporary Music en is opgericht in 1923. Dit is, zoals de naam al aangeeft, een internationale organisatie ter bevordering van Hedendaagse Muziek. Buiten Vlaanderen en Wallonië, die ons land in aparte secties vertegenwoordigen , heeft ISCM nog 49 leden uit alle uithoeken van de wereld. Jaarlijks organiseert een van de vertegenwoordigde landen een editie van de World Music Days. In tegenstelling tot wat de naam zou kunnen doen vermoeden gaat het hier niet om wereldmuziek maar over hedendaagse kunstmuziek. De deelnemende landen selecteren autonoom en volgens hun eigen systeem de composities en componisten waarvan ze willen dat zij hun land vertegenwoordigen. Uit dit aanbod wordt dan door het deelnemende land een selectie gemaakt. Door het zeer internationale karakter van dit festival worden er ook zeer uiteenlopende schoonheidsvoorkeuren aanwezig gesteld. In die zin zou je kunnen gewagen dat World Music Days een soort wereldtentoonstelling is. Het betekent ook dat wat je hoort soms in aanvaring komt met je normale verwijzingskader. Ook de deelnemende organisaties en uitvoerders die dit alles een podium geven moeten hierdoor ongetwijfeld hun verwijzingskader af en toe flink wat oprekken. Ook tijdens Transit was dit mijns inziens het geval. Ik ben er zeker van dat een aantal werken bij een geregelde editie niet zouden zijn geprogrammeerd. Wat niet noodzakelijk iets zegt over de kwaliteit. Maar toch.

Op donderdag werden de World Music Days geopend. Het Transit festival gaf de aftrap de dag nadien met het Antwerpse ensemble ChampdAction. Geopend werd er met Horizontals (2010) van de Estse Tatjana Kozlova (°1977). Dit was een zich langzaam ontwikkelend stuk, met een erg eenvoudige structuur, dat zich kronkelde rond een aantal klankblokken en -clusters. Er was amper of geen melodische ontwikkeling, niettegenstaande de titel, en al evenmin een harmonische, getuige de titel, maar wel een aanhoudende verschuiving van klankkleuren. Het was best een elegant stuk, maar het kon mij niet bekoren. Van een heel andere orde was het stuk van de jonge Japanner Hikari Kiyama (°1983).  Zijn Kabuki (2009) verwijst nadrukkelijk naar de populaire muziek, meer bepaald naar bepaalde aspecten uit de DJ scène en de Japanse Noise Scène. Uit die DJ scène ontleende hij het gebruik van breaks, wat hier betekent dat alle song elementen zoals pads, basslijnen e.d. plots wegvallen, uitgezonderd de percussie. Door het aanhouden herhalen van deze breaks werd de percussie nadrukkelijk het structurerend element. Een en ander was nogal noisy, en niet meteen wat je van Japanse hedendaagse kunstmuziek verwacht (cfr. Hosokawe, Takemitsu e.d.), maar door de consequente benadering van het klankmateriaal kwam de boodschap duidelijk over, en die boodschap beviel me wel. Dit kan in het geheel niet gezegd worden van het stuk dat hier op volgde. Niet dat het de Roemeense Mihaela Vosganian aan goede bedoelingen ontbrak. Naar eigen zeggen wou ze met Il Giocco Degli Innocenti (2012, creatie) op subtiele wijze een bijzondere geestelijke ervaring weergeven, met name een verkenningstocht doorheen het kindergeheugen. Wat ik me daar moet bij voorstellen weet ik nog altijd niet, maar ondertussen weet ik wel wat ik me daar niet moet bij voorstellen. Bij momenten was het best wel lieflijk, maar hoe dan ook was het kitschgehalte te hoog om ervan te kunnen genieten. Van kitsch is er bij Fingerfertigkeit (2012, creatie) van Serge Verstockt (°1957) naar goede gewoonte geen sprake, al leunde hij er bij momenten wel dicht tegenaan. Doorgaans vertrekt Verstockt vanuit een duidelijk afgebakend paradigma, waarbij de gebruikte elementen op samenhangende wijze in een specifiek stelsel worden uitgewerkt. Ook hier vertrok hij vanuit een specifiek paradigma. Het uitgangspunt was de virtuositeit van de uitvoeder, meer bepaald de jarenlange oefeningen en inspanningen die ze zich moeten getroosten om een hoog niveau te bereiken. Dit houdt een eindeloos herhalen van toonladderreeksen, etudes e.d. in. Verstockt ontwaarde ook een tegenspraak tussen bijvoorbeeld de 19de eeuws praktijk en de laat-twintigste eeuwse en eenentwintigste eeuwse praktijk. In de negentiende eeuw waren de ensembles gestandaardiseerd, de opleiding was in heel Europa dezelfde, net als de notatie. Vandaag formuleert zowat elke componist zijn eigen codes, notatiesystemen en speelwijzen. Bovendien krijgen ensembles van hedendaagse muziek geen jaren om zich een oeuvre eigen te maken, maar moeten ze de geboden muziek in luttele dagen verwerken. Het is deze tegenspraak die Verstockt wou uitwerken. Het muzikale materiaal bestaat enkel uit wat verstock haalde uit de etudes die de uitvoerders aanbrachten. Naar mijn gevoel heeft Verstockt zich een beetje aan zijn eigen uitgangspunt vertilt, precies omdat het klankmateriaal van elders kwam. Het stuk had in die zin beter Fremdkörper geheten. Qua klankbeeld, geluidsniveau en intensiteit waren Kabuki en Fingerfertigkeit met elkaar verwant, alleen was het stuk van Verstockt gevarieerder en complexer van structuur, en hierdoor boeiender. Maar hij heeft wel al werken gemaakt die me meer bij mijn nekvel grepen.

De zaterdagochtend begon traditiegetrouw met een concert dat binnen het educatief project van Transit past. Elk jaar wordt aan een componist gevraagd om een stuk te schrijven voor muzikanten uit de conservatoria uit de streek, en die ook bij de voorbereiding en uitvoering te begeleiden. Dit jaar kreeg Guy De Bièvre die taak toegewezen. De Bièvre houdt zich reeds jaren op in het grensgebied tussen improvisatie en genoteerde muziek. Zijn werken zijn veelal open van vorm, wat de uitvoerder veel keuzevrijheid laat. Omdat het hier gaat om een werk dat voornamelijk voor studenten is bedoeld, geeft De Bièvre in principe de vrijheid om vanuit de partituur zelf het uitvoeringsniveau te bepalen. Dat is althans de uitleg die hij zelf geeft. In de praktijk kon je helemaal geen onderscheid maken in het opleidingsniveau van de uitvoerders, hoewel dat er misschien wel was. Het is een zeer statische uitvoering geworden, met erg summier muzikaal materiaal, zeer spaarzaam uitgestrooid in wat hoofdzakelijk stilte is. Het deed me bij wijlen een beetje denken aan de esthetiek van de componisten van de Wandelweiser Gruppe. Als je je kunt laten wiegen door de zachte glooiingen van de bewegingen kan dat erg mooi zijn, in het andere geval wordt je in slaap gewiegd.

Nadien was er een soloconcert van de pianist Ian Pace. Hij is een regelmatige gast op dit festival. Niet toevallig, want zijn enthousiasme en inzet is groot. Hierdoor zijn zijn concerten vaak een waar genot, op voorwaarde dat het programma goed is, natuurlijk. En daar mangelde het hier wat aan. Het concert begon met 2 ½ Miniatures (2006) van de Canadese Heather Hindman. Het stuk bestaat uit twee afgescheiden delen, en een derde deel dat, in weerwil van de titel, niet halfafgewerkt is, maar de muzikale elementen uit de twee vorige delen samenbrengt. Het werk is helemaal opgebouwd rond het resoneren van de snaren in de piano. Soms geeft dat hele subtiele momenten op, maar de toegepaste benaderingen zijn beperkt en heb je snel door, waardoor een en ander toch wel wat begint te vervelen.  Bovendien laat ze de pianist een aantal vingerzettingen uitvoeren zonder dat hij de toetsen mag aanslaan. Wat daar de bedoeling van was weet ik niet, maar het zag er nogal onnozel uit. Bij TransparenT (2010) van de Letse Santa Buss (°1981) was er, buiten het traditionele pianospel, één element dat ze gedurende het ganse stuk aan de speelwijze toevoegde, namelijk het gebruik van een stemvork op de snaren van de piano. Je merkt dat ze zoekt naar een geschakeerd kleurenpalet, en allicht zal die zoektocht vanuit een Letse achtergrond best wel avontuurlijk zijn (hoewel ik dat niet weet), voor een westerse luisteraar is het gebruik van de inside piano wel erg beperkt en hierdoor het bekomen resultaat nogal flauw. Ook bij Rejection (2009) van de Oekraïner  Maxym Kolomiiets (°1981) was het overduidelijk dat zij vanuit een ander verwijzingskader vertrekken dan wij. Zelf zegt hij dat alle componenten van de muzikale constructie, zoals textuur, dynamiek en ritme, er in hun dichtste en meest geconcentreerde vorm op gericht zijn de pijnbarrière van de luisteraar te doorbreken. Het zijn best wel doetjes, die Oekraïners, want de pijngrens van de westerse luisteraar ligt ongetwijfeld hoger. Bovendien waren de technieken om ons te pijnigen nogal aan de oudmodische kant. Maar al met al, de structuur was wel duidelijk. Vervolgens kregen we Schönes Klavierstück (2006) van de Duitser Harald Münz (°1965) te horen. Hoewel de titel ironisch bedoelt was, maakte het de ironie niet geheel waar: het was best wel een mooi pianostukje. Er was amper of geen melodische ontwikkeling, slechts korte, sterk wisselende akkoorden, maar toch was er binnen het korte tijdsbestek een mooie ontwikkeling. De kracht was ongetwijfeld ook gelegen in de bondigheid. 'In der Beschränkung zeigt sich der Meister' zou men kunnen zeggen, maar dat is overdreven, want zo goed was het nu ook weer niet. Een stuk dat me best wel intrigeerde, maar waarvan ik de kwaliteit eigenlijk niet kan inschatten, was Concordia Discors. Etudes IV, V, VI (2007) van de Noor  Herman Vogt. Het maakte alvast zijn ondertitel waar. De drie stukken zijn onderling sterk verschillend van karakter, maar ze hebben wel gemeen dat de lineaire bewegingen sterk ontwikkeld zijn, in het eerste deel zelf laag over laag gestapeld. Dit bracht met zich mee dat het stuk best wel virtuoos was. Het was aangenaam om naar te luisteren, bij momenten zelfs amusant, al betwijfel ik dat dat laatste de bedoeling was. Het concert werd besloten met  de creatie van 'Graffiti on a royal ground' van de Vlaming André Laporte (°1931). Hoewel het niet helemaal een creatie was. Benevens de piano is er ook een klankband te horen die Laporte in 1977 maakte als achtergrondmuziek bij een televisiefilm over de Koninklijk Serres in Laken. Die klankband was op zich al interessant, en veel experimenteler dan veel van de elektro-akoestische muziek die er nog op dit festival te horen. Dat men vandaag dergelijke muziek nog zou gebruiken als achtergrondmuziek voor een reportage is ondenkbaar, laat staan dat de publieke televisie er de opdracht voor zouden geven. Althans dat was vroeger beter. Het stuk was zo opgevat dat er een preludium en een postludium was zonder klankband. Voor het overige werd de klankband integraal afgespeeld en weerklonk simultaan de pianostukjes, stuk voor stuk miniatuurtjes. Hiertoe heeft Laporte een vijfentwintigtal stukjes geschreven waaruit de pianist naar believen kan kiezen, in functie van de speelduur van de klankband. In de brochure spreekt Laporte over een confrontatie tussen onderbroken en doorlopende tijd. Maar eigenlijk is er van een confrontatie geen sprake, want dat veronderstelt dat ze tegenover elkaar gesteld worden, wat dan weer een ontmoeting impliceert. Die ontmoeting was er hier niet. De twee vonden gewoon tegelijkertijd plaats, maar daarom is er nog geen verband. Zoals er geen verband is tussen twee radio’s die in de zelfde ruimte muziek weergeven van een andere zender. Dit gezegd zijnde waren de twee afzonderlijke werken best wel interessant. Wat ik ook merkwaardig vond was dat, niettegenstaande het feit dat er een klein deel van een groter geheel werd gekozen, de stukken toch een onderling verband leken te hebben. En dat was niet omdat ze allemaal op elkaar geleken. Al met al vond ik het maar een middelmatig concert, waardoor de virtuositeit van Pace ook wat ondergesneeuwd raakte.

In de namiddag konden we luisteren naar een soloconcert van de cellist Arne Deforce. De aangekondigde creatie van 'Stand' van de Vlaming Tim Vets ging niet door. In de plaats voerde Deforce een wat ouder werk van James Dillon (°1950) uit. Eos for cello solo (2000) is een aantrekkelijk stuk dat Deforce duidelijk in de vingers zit. Compositorisch ligt het in de lijn van wat je van Dillon kan verwachten, zij het dat het vrij eenvoudig is, maar in de benadering van de cello zelf is hij verbazend traditioneel. Eigenlijk wel prettig, een cello die normaal bespeeld wordt. What!? For cello solo (2011) van de Israëliet Vladimir Scolnic (1947) beleefde hier zijn creatie. Het is te zeggen, deze versie voor cello. Het stuk werd immers voor altviool bedacht. Het is een zeer rustig en stil stuk dat korte melodische stukjes meandert om met het derde deel te komen tot een heftige climax. Een en ander deed me bij wijlen denken aan Toshio Hosokawa, hoewel het duidelijk de zeggingskracht van die laatste ontbeerde. 'Riflissi di luna for cello and live electronics' (2009) van de Italiaan Daniele Vnturi (1971) ontbeerde niet iets, maar had iets te veel, met name de live electronics. Veel hadden die immers niet om het lijf. Buiten wat delay en hier en daar wat distortion was het niet en dat begon na een tijdje flink op de zenuwen te werken. Het ondergroef de cellopartij in plaats van het te ondersteunen. Ook de Duitser Wieland Hoban (°1978) reed zichzelf vast in staring (Mis-Logue for cello and fixed media (2012, creatie). En ook bij hem was het het gevolg van het gekozen uitgangspunt. Er is enerzijds een vooraf opgenomen geluidsfragment waarop teksten, gedichten van de componist zelf worden voorgedragen. Deze teksten hebben een eigenaardigheidje, want ze verspringen van het Duits naar het Engels en weer om. Dit zijn blijkbaar de twee talen waarmee Hoban is opgegroeid. Bovendien verspringt de weergave eens naar het links, dan weer naar het rechtse kanaal, zonder dat je de zin daarvan kan achterhalen. Net zomin als de betekenis van de zinnen in hun geheel, maar dat blijkt de bedoeling. Wat wel duidelijk is, is dat de klinkende afstand tussen de tekst en de cellopartij stelselmatig vergroot. Hierin ligt allicht de betekenis van Mis-Logue, namelijk een mislukte dialoog. Het concert kwam tot een hoogtepunt met Foris for cello and live electronics (2012) van de Fransman Raphaël Cendo. Het stuk is luid, noisy en wat het klankbeeld betreft behoorlijk bruut, maar bijzonder virtuoos. Het is zo'n stuk waar andere cellisten hun vingers op breken, maar waar Deforce met zichtbaar plezier zijn forse schouders onder zet. Hij mag dan niet zijn vingers gebroken hebben, tijdens de repetities wel zijn strijkstok, zo hevig gaat het er bij momenten aan toe. Maar benevens al dat geweld blijft de compositie op zich gewoon sterk. In het gebruik van electronics voeren nogal wat componisten zichzelf de mist in, maar Cendo slaagt erin om van beide partijen een coherent geheel te maken. Het is zelfs duidelijk dat het ene niet zonder het andere kan. Dat heeft te maken met het muzikale materiaal zelf, maar ook door de uitvoerder bij alle aspecten van de uitvoering te betrekken. Deforce coördineert en bestuurd de electronische geluiden via pedalen. Dat is op zich niet nieuw, maar Cendo heeft op een uitgekiende wijze de beide speelwijzen op elkaar afgesteld. Voor mij was dit een van de hoogtepunten van het festival. Het zou me niets verbazen mocht Deforce dit opnemen in zijn repertoire. Bovendien etaleerde Deforce in dit concert nog maar eens wat voor een formidabele cellist hij is.

Het afsluitend concert was groots opgevat. Afwisselend werd een stuk gespeeld in Leuven dan weer Den Bosch waarbij het publiek op de ene plaats het concert kon volgen van de andere plaats via internet. Veel hokus pokus was daar niet aan, want het gebeurde simpelweg via een videochatvenster van Google+. Het laatste stuk, van Peter Swinnen, was moeilijker te realiseren, want hij beoogde een simultaan concert in Leuven en Den Bosch. Een en ander moet door sommigen toch spectaculair geleken hebben want de VRT nam het op en stuurde zelfs Fred Brouwers als gastheer. Het was aandoenlijk hoe Brouwers het wereldwijde aspect van internet bleef benadrukken. De koe en de trein, weet u wel. De avond werd in Leuven geopend met vroeg werk van de Vlaming Bart Vanhecke (°1964), namelijk Tout près de l’eau for mezzo soprano and alto flute (1995). Dit werk is volledig dodecafonisch gecomponeerd. Enige hardnekkigheid kan je Vanhecke dus wel toedichten, want je kan bezwaarlijk zeggen dat deze componeerwijze nog erg in zwang is, ook in 1995 niet. Maar hij toont aan dat ze wel nog relevant is. Het is een mooi stuk en het werd ook met veel inleving gebracht door mezzo Els Mondelaers en en Chrissy Dimitriou. Misschien ontbrak het hier en daar wat aan kracht, maar je kwetsbaarheid tonen voegt ook wel wat toe aan de muziek. Het stuk was helemaal opgebouwd op de spanning tussen wreedheid en tederheid. Hierna sprongen we naar De Toonzaal in Den Bosch voor Damping Words for recorder and live electronics van de Nederlandse Rus Fred Momotenko. Jorge Isaac bespeelde zo'n gigantische, balkvormige contrabasfluit zoals de fluitenbouwer Paetzold ooit eens ontwikkeld. Altijd plezierig om zien en het heeft zo'n mooie orgelachtige klank. Nu is het altijd verdacht als je aandacht vooral naar het instrument gaat. De speelwijzen die vandaag de dag voor dit instrument gebruikt worden werden hier ook gebruikt, vooral blazen en in het instrument praten en wauwelen. De electronics versterkten soms het orgelachtige effect, soms vervormde ze de klank tot iets xylofoonachtigs. Zoals later op de avond bij nog een paar stukken was het  niet altijd duidelijk of wat je hoorde nu storing was dan wel gewilde ruis. Het werd er niet beter op met Disparitions for viola and live electronics (2007) van de Fin Max Savikangas. Net als bij Cendo had de uitvoerder via pedalen controle over de live elctronics, alleen gaf dat geen meerwaarde. Het leek wel alsof de electronics bedoeld waren om de altvioolpartij wat te maskeren. Die partij was immers geweldig ouderwets, leek zo af en toe wat naar volksmuziek te verwijzen. En hier werd dan wat delay op gezet en soms wat distortion zodat de viool wat klonk als een elektrische gitaar. Tja. Dan volgde in Den Bosch een stuk waarvan ik niet begreep of het nu zoals voorzien van Roderik De Man (°1941) was of dat het door iets anders vervangen was. In elk geval was het zoals De Mans 'Chordis Canam' voor klavecimbel en electronics. Het was een virtuoos stuk, met hier en daar verwijzingen naar de klavecimbeltraditie. De twee instrument waren goed op mekaar ingesteld. Zoals de titel aangeeft kwam een en ander soms zangerig over. Op een bepaald moment had je zelf een verwijzing naar een zingende zaag. Bij momenten deed het me wat aan Continuum van Ligeti, maar deze muziek was belange niet zo dwingend en pakkend. Dan volgde een mooi, zelfs lieflijk werk van de Chinees-Oostenrijkse Hui Ye (°1981). W E I for soprano and live electronics (2010) was erg statisch met lange noten en kleine intervallen. Met de electronics waagde ze zich op een grensgebied. Soms leek het feed back, dan weer live electronics. Dat heb je natuurlijk als je met sinustonen werkt. Soms leken het echter meer tinitus-tonen. Hierna was het moment suprême aangebroken met de creatie van E.C. Draw. For Cornelius van de Vlaming Peter Swinnen. Swinnen vertrekt vanuit het gegeven van samen musiceren op verschillende plaatsen en dit met behulp van internet. Nu heb je bij het verzenden van data een vertraging, de zogeheten latentietijd. Je kent dat wel van op televisie waarbij de verslaggever seconden later begint te praten na de vraagstelling. Nu is Den Bosch New York niet, dus viel dat met dat tijdverschil nog wel mee. Hoewel die ene seconde natuurlijk het echte samenspelen nog steeds dwarsboomde. Om een en ander te overbruggen ontwierp Swinnen een systeem waarbij vertrokken wordt van een grafische partituur. De output die dit in Leuven meebracht was input voor de muzikanten van Den Bosch waardoor hun grafische partituur veranderde en vice versa. Deze grafische partituur werd op een groot scherm geprojecteerd. Ze bestond uit blauwe en rode vierkanten die in aantal en grote varieerden en ook wel eens in plaats van horizontaal diagonaal werden weergegeven. Hoe dan ook bleef het vrij rudimentair. Meer dan wat dynamische aanwijzingen leek het mij niet aan te geven. Swinnen verwees wel naar Cardew en zelf expliciet naar diens Treatise, maar die partituur is veel genuanceerder en gevarieerder van opzet. Ik had niet het gevoel dat het niveau van louter improvisatie vaak werd overstegen, waardoor het mij wat zinloos leek om zo een constructie op te bouwen om een seconde latentietijd te overbruggen. Mij leek het een beetje verloren moeite. Maar Peter Swinnen was tevreden, dus ben ik dat ook.


Peter-Paul De Temmerman
journalist actuele kunstmuziek
31 oktober 2012

Elders op Oorgetuige :
Transit Festival in het kader van de World Music Days, 25/10/2012

16:19 Gepost in Festival, Muziek, Reviews | Permalink |  Facebook

Commentaren

Interessante beschouwingen, waarvoor mijn dank. In grote mate stemt dit ook overeen met mijn eigen ervaringen. Wat bij mij, en ook bij meerdere mensen die ik tijdens het weekend sprak, blijft nazinderen is ten eerste het spanningsveld tussen de componist en de uitvoerder(s), en ten tweede het vraagstuk rond het gebruik van elektronica allerhande.

De eerste kwestie ontstaat in de observatie dat er niet altijd een perfecte 'match' was tussen de componisten en de uitvoerders. Bij Ian Pace was dat misschien nog wel het meest zicht- en hoorbaar. We kennen Pace als een erg bevlogen pianist, die bijna altijd weet te overtuigen. Het afgelopen weekend was daarop niet echt een uitzondering, maar je merkte dat hij stukken moest spelen waaraan hij uit eigen beweging wellicht nooit begonnen was. Dat heeft velen een wat onbehaaglijk gevoel bezorgd. Ook bij minstens een van de componisten trouwens. Zo vertrouwde Santa Buss me toe dat ze écht niet tevreden was met de uitvoering van haar werk, maar verder wou ze er bijzonder weinig over kwijt. De teleurstelling was werkelijk groot. Aan de kwaliteiten van Pace zal het in ieder gevel niet liggen, en over Buss' werk kan ik me moeilijk uitspreken aangezien dit het eerste werk was dat ik van haar hoorde. Ik houd het dus op een wat ongelukkige 'mismatch'.

De andere kwestie, over het gebruik van elektronica, was evenzeer een primair gespreksonderwerp. Al te vaak 'probeert' men daarmee iets uit te richten, zo was de teneur, maar zelden raakt het echt muzikaal verweven met een stuk als geheel. Op sommige momenten, zoals bij die feed backs in het werk van Hui Ye, is het echt niet veel meer dan een 'laagje' dat over het andere muzikale materiaal is gelegd. Weinig interessant en al helemaal niet spannend. Bij een van de weinigen waarbij het wel goed lukte was inderdaad Raphaël Cendo. Ook bij Mihaela Vosganian klopte het plaatje mijns inziens overigens, wiens werk ik überhaupt niet kitscherig vond. Een vreemd allegaartje en zeker niet de spirituele ervaring die in het vooruitzicht werd gesteld, dat wel, maar ik vond dat het geheel meer dan behoorlijk 'werkte' en in de uitvoering door Champ d'Action tot zijn recht kwam.

Tot slot wil ik nog graag benadrukken hoe zeer ik genoten heb van wat Daan Janssens met die jonge uitvoerders heeft weten te realiseren voor het 'educatieve concert'. Ik denk dat we daar toch wel enkele beloftevolle muzikanten aan het werk zagen en hoorden. En muzikaal vormde het ook min of meer een eenheid; de samenhang van het programma was in ieder geval meer uitgesproken dan het lappendeken tijdens de andere concerten.

Slotsom: ik vond het een bijzondere editie. Geen Transit zoals we die van andere jaargangen kennen, maar nu met veel meer contrasten tussen de verschillende werken. De vrolijke chaos van Donaueschingen was bij tijd en wijle niet zo heel erg ver weg. Frappant was wel dat toen ik zondagavond met een aantal Australische gasten terug naar Brussel spoorde, vooral werd terug gegrepen naar het concert van Het Collectief op vrijdagmiddag. Dat heb ik helaas niet kunnen bijwonen, maar de loftrompet werd zonder enige reserve bovengehaald en plaatste Transit enigszins in de schaduw.

Gepost door: matthias | 02/11/2012

De commentaren zijn gesloten.