12/10/2012

Keller Quartet komt opnieuw naar Leuven met strijkkwartetten van Bartók

Keller Quartet Innovatieve verbeelding, bruisende vitaliteit, indrukwekkende muzikale expressiekracht… De strijkkwartetten van de Hongaarse trots Béla Bartók vormen een hoogtepunt van de 20ste-eeuwse kamermuziek. De drie strijkkwartetten in dit programma weerspiegelen de zoektocht naar een eigen individuele toonspraak. Bartók linkt er zijn roots aan de modernistische invloeden die destijds kwamen aangewaaid uit West-Europa. Keller Quartet bracht het festivalpubliek in 2009 al in vervoering met een adembenemende uitvoering van de strijkkwartetten 2, 3 en 5. Dit is je kans om ook nog 1, 4 en 6 live te beleven of om aflevering twee zeker niet te missen.

Het Keller Quartet, opgericht aan het Liszt Conservatorium in Budapest, breekt in 1990 internationaal door met eerste prijzen op de Evian en Paolo-Borciani wedstrijden. Keller speelt sindsdien op zowat alle belangrijke klassieke muziekpodia in Europa. Hun opname van de strijkkwartetten van Bartók kreeg in 1996 de Preis der Deutschen Schallplattenkritik en geldt nog altijd als dé referentie. Keller Quartet is tot op vandaag een van de beste strijkkwartetten met een veelzijdig repertoire dat reikt van Haydn over Bartók tot Kurtág.

Een programma waarin Bartóks eerste en laatste strijkkwartet prijken, met tussen hen één van zijn middelste, het Strijkkwartet nr. 4, biedt een mooi overzicht over de evolutie van het genre, en dat bij een componist die een toonaangevende lijn ervoor uitzette in de twintigste eeuw. Niemand heeft na Bartók nog een strijkkwartet gecomponeerd zonder aan hem te refereren. Laat dat een lichte overdrijving zijn, maar een componist die het niet luidop deed, deed het dan maar stilzwijgend. Deze drie kwartetten brengen ons van 1908 over 1928 tot 1939: van de jonge componist, 27 jaar oud, tot de vluchteling naar Amerika, enkele jaren voor zijn dood.

In januari 1909 voltooide Bartók zijn Eerste Strijkkwartet, "tot mijn grote vreugde" schreef hij in een brief aan een vriendin. Twee jaar eerder was hij begonnen met de schetsen en even tevoren was hij zo verliefd geweest op de violiste Stefi Geyer dat hij een vioolconcerto voor haar geschreven had. Onder een hoofdmotief schreef hij “dit is jouw leidmotief”, en onder een verwant motief “liefde”. In de twee delen wilde hij de karaktertrekken van zijn geïdealiseerde vriendin uitcomponeren en het eerste deel gold tegelijk als zijn liefdesverklaring. Toen hij haar de afgewerkte partituur opstuurde was het liefdesvuur al gedoofd en de relatie beëindigd. Maar zijn leidmotief was Bartók niet vergeten. Hij gebruikte het later opnieuw in verschillende stukken, waaronder het Eerste Strijkkwartet. Wat meer is: het Eerste Strijkkwartet toont grote gelijkenissen met het materiaal uit het eerste deel van het Vioolconcerto, zijn ‘ideaal’. Volgens sommigen vormt het tweede deel van het kwartet dan het ‘tegenbeeld’ daarvan: het treuren over de verloren liefde. In de Allegro vivace finale vindt evenwel de terugkeer naar het leven plaats. Bartók werkt deze beweging uit in zijn typisch vitalistische stijl, vol referenties aan de Hongaarse volksdansritmiek. Ongetwijfeld vormt dit strijkkwartet de eerste getuigenis van de volle bloei van Bartóks persoonlijke stijl.

In zijn Vierde Strijkkwartet uit 1928 zet Bartók over de vijf delen een perfecte boogstructuur uit: het Non troppo lento middendeel wordt omgeven door twee scherzi (delen twee en vier), terwijl de hoekdelen beide Allegro zijn. Bovendien zullen deze hoekdelen hetzelfde hoofdthema centraal stellen, terwijl ook delen twee en vier van hetzelfde thematische materiaal gebruik maken en zelfs als twee varianten van eenzelfde basisgegeven kunnen worden beschouwd. Het gaat om stijgende en dalende toonladderfiguren, normaal (diatonisch) aangewend of met opgedreven spanning (chromatisch). Door deze figuren en ook de thema’s in de andere delen in verschillende verschijningen te verwerken creëert Bartók een hoogst persoonlijke dramatiek. Bovendien maken delen twee en vier opvallend gebruik van ongewone speelwijzen: sourdine, pizzicato, glissando, stijgende en dalende akkoorden (zowel arco als pizzicato), de befaamde Bartók-pizzicato waarbij de aangetokkelde snaar tegen het hout van de toets kletst (meer zelfs: de allereerste toepassing ervan) en de tremolo-pizzicato. Verder komen ook col legno battuto (slaan met het hout van de strijkstok op de snaren) voor en het vervormen van de klank door tegen de kam te spelen. Dat alles maakt dat de timbre evolutie in het werk even belangrijk is als de thematische uitwerking. Binnen elk deel komen complexe structuren voor, gebaseerd op de sonatevorm (eerste deel) en de ABA-vorm (tweede en vierde deel). Veel polyfone momenten, met typische canons en omkeringen, maken het eerste en het vijfde deel tot hoogtepunten van contrapuntische uitwerking. Bartóks Vierde Strijkkwartet is een uiterst geconcentreerd werk, krachtig en zeer consequent opgebouwd vanuit enkele kernideeën. Wat daarbij natuurlijk niet kon ontbreken is de dansfinale, opgevat als een geweldige ontlading.

Het Zesde Strijkkwartet is naast het Divertimento voor strijkers, beide uit 1939, het laatste werk dat Bartók in Hongarije schreef, voor zijn vertrek naar Amerika. Het werd voor het eerst uitgevoerd in 1941 in New York. We weten met zekerheid dat Bartók dit kwartet vierdelig bedoeld had, waarbij hij op een nieuwe wijze de muzikale eenheid onder de verschillende delen wilde aantonen: door dezelfde aanvang telkens te herhalen. Het beginmotto moest respectievelijk leiden naar een Vivace, een Marcia, een Burletta en een dansfinale. Binnen elk deel moest er dan eigen materiaal, zonder verwantschap met de andere delen, benut worden. De dansfinale heeft hij nooit gemaakt, alhoewel hij op een bepaald ogenblik zijn Londense uitgever vroeg te wachten met het drukken omdat hij misschien nog de finale wilde veranderen. We zouden dus kunnen veronderstellen dat het om een klassiek Bartók-strijkkwartet gaat, met enkele lichtere en humoristische delen, zoals de mars en de burleske. Naarmate het componeren vorderde drong het motto, de herhaalde aanvang van elk deel, zich echter hoe langer hoe meer op als een treurende gedachte en Bartók twijfelde waarschijnlijk daarom de dansfinale uit te schrijven.

Natuurlijk speelden de politieke gebeurtenissen van de jaren '30 daarin een grote rol. Reeds in 1931 had Bartók zich radicaal opgesteld tegen het fascisme, met als gevolg dat hij na 1933 niet meer in Duitsland mocht optreden en vanaf 1937 alle radio-uitzendingen van zijn muziek in Duitsland en Italië verboden waren. Bartók voelde zich door het nazisme steeds meer bedreigd, en na de dood van zijn moeder vertrok hij dan ook meteen naar Amerika. Hij verliet Budapest in oktober 1940 om er nooit terug te keren.

Terug naar het Zesde Strijkkwartet. Mesto staat als aanvang van elk van de delen genoteerd. Het betekent 'droevig, bedrukt'. Bartók had deze term eerder slechts één keer als uitvoeringsaanwijzing gebruikt: bij zijn opus 1, de Rapsodie voor piano en orkest. Dat betekent dat mesto voor hem een wel zeer speciale inhoud droeg en men neemt dan ook aan dat hij ermee wilde verwijzen naar Beethovens gebruik van de term in het Largo van de Zevende Pianosonate en in zijn Strijkkwartet op. 18 nr. 6. De mesto-thematiek drukt zeer zeker de inkeer, de bezorgdheid en het treuren over de politieke gebeurtenissen en de onheilspellende vooruitzichten voor de toekomst uit. Het thema wordt allereerst door de altviool solo gebracht, bij het tweede deel door de cello met een antwoord van de viool, en in het derde deel is het reeds driestemmig: eerste en tweede viool en cello, na enkele maten aangevuld door de altviool tot vierstemmigheid. Bij de finale ten slotte heeft het Mesto de omvang van een volledig kwartetdeel aangenomen, waarbij de geconcentreerde polyfonie de bedrukte verinnerlijkte droefheid dermate verdiept dat er geen snel deel meer als besluit kon volgen. Bovendien heeft Bartók afgezien van zijn oorspronkelijk plan om elk deel eigen materiaal te geven. Zowel de mars als de Burletta hebben een thema dat afgeleid is van het mesto-gegeven. Op het hoofdthema van het Vivace, het eerste deel, wordt dan nog eens gealludeerd in de finale.

De verstilde uitdrukking herinnert aan Bartóks eerste twee strijkkwartetten. Bovendien is de lamento-idee van het Tweede Strijkkwartet nu over het geheel van de compositie uitgespreid. Wie vermoedt een humoristisch element in de Marcia en de Burletta te horen komt dus bedrogen uit. Het zijn geen parodieën, hoogstens sarcastische toespelingen op werkelijk bestaande toestanden. De mars is die van het opstappende leger. Ze vertraagt en wordt door Bartók naar de hoge tessituur gevoerd, waar ze in de hoogste tonen in een sfeer van opperste ironische hilariteit, in de zin van totale nutteloosheid eindigt. Tussenin heeft Bartók een trio geschoven met een cello die het mesto-thema pijnlijk karikaturiseert, met een banjo-begeleiding in de altviool. In de Burletta meende men soms jazzinvloeden en een night-club-parodie te kunnen horen, waarvan de toon dichtbij het voor klarinettist Benny Goodman geschreven Kontraste komt. De hoon, het sarcasme en de bijtende ironie zijn hier echter veel sterker en maken de burleske tot een angstaanjagende groteske. Bartók benadert hier merkwaardig dicht de strijkersbehandeling van de parodiërende stijl van Stravinsky. Waar het eerste deel met zijn Vivace nog wat hoop uitdrukt, moet deze hoop doorheen het tweede en het derde deel plaats maken voor een besef van het absurde van de wereldsituatie. De finale laat geen enkele hoop meer over. Er blijft enkel bedroefd treuren. Tot tweemaal toe noteert Bartók "senza colore" op de partituur, om ten slotte te eindigen met "più dolce, lontano".

Tijd en plaats van het gebeuren :

Keller Quartet : Bartók expressief
Maandag 15 oktober 2012 om 20.30 u
(Inleiding door Yves Knockaert om 19.45 u)
Iers College - Leuven
Janseniusstraat 1
3000 Leuven

Meer info : www.festivalvlaamsbrabant.be

Bron : Programmatoelichting Yves Knockaert

Elders op Oorgetuige :
Novecento zet exploratie verder van de wonderbaarlijke muzikale 20ste eeuw, 19/09/2012

Beluister alvast het eerste deel van Bartóks Strijkkwartet nr 4, uitgevoerd door het Keller Quartet

15:57 Gepost in Concert, Festival, Muziek | Permalink |  Facebook

De commentaren zijn gesloten.